Deze COI Focus analyseert de impact van de oorlog tussen Israël, de Verenigde Staten (VS) en Iran op de veiligheidssituatie in Irak in de periode van 28 februari tot 17 april 2026. Het rapport is gebaseerd op gegevens van ACLED en toont hoe Irak fungeert als een secundair strijdtoneel in dit conflict.
De oorlog begint met grootschalige luchtaanvallen op Iran, waarna pro-Iraanse milities in Irak – verenigd onder de naam Islamic Resistance in Iraq (IRI) – raket- en drone-aanvallen uitvoeren op Amerikaanse en Israëlische doelwitten. Als reactie voeren de VS en Israël luchtaanvallen uit op milities van de Popular Mobilization Forces (PMF). Ook Iran zelf valt doelwitten in Irak aan, vooral in de Koerdische Autonome Regio (KAR).
Vanaf het uitbreken van de oorlog op 28 februari 2026 stijgt het aantal geweldsincidenten sterk. Tussen 1 januari en 17 april 2026 registreert ACLED 612 incidenten en 243 doden, met een duidelijke piek na 28 februari. Deze toename is vooral te wijten aan luchtaanvallen en andere vormen van “explosions/remote violence”, zoals drones en raketten.
De belangrijkste actoren zijn buitenlandse strijdkrachten (VS, Israël en Iran) en pro-Iraanse milities. Terwijl de VS en Israël vooral PMF-doelwitten aanvallen, richt Iran zich op Koerdische oppositiegroepen en Amerikaanse installaties. Pro-Iraanse milities vallen op hun beurt een brede waaier aan doelen aan, waaronder militaire basissen, luchthavens, olie-installaties en zelfs woonwijken.
Geografisch concentreert het geweld zich in de KAR (vooral Erbil en Sulaymaniyah), Bagdad en provincies zoals Anbar en Ninewa. In Anbar vallen relatief veel doden door Amerikaanse en Israëlische aanvallen, terwijl Iraanse aanvallen zich vooral op Noord-Irak richten.
De impact op burgers is beperkt maar moeilijk exact te kwantificeren. Cedoca identificeert minstens 34 incidenten waarbij burgers werden gedood of gewond, vaak als gevolg van luchtaanvallen of neerstortende projectielen in woongebieden.
Hoewel een staakt-het-vuren begin april 2026 tijdelijk tot een afname van het geweld leidt, blijft de situatie fragiel. Het conflict onderstreept de structurele kwetsbaarheid van Irak, waar milities en buitenlandse actoren een grote invloed hebben op veiligheid en politieke stabiliteit.
Politique de traitement
Depuis 2013, la situation sécuritaire dans la région a été largement déterminée par la montée de l'État islamique en Irak et en Syrie (EI) et par la lutte contre celui-ci. Le 9 décembre 2017, le premier ministre alors en fonction, M. al-Abadi, a annoncé que la dernière partie de la zone occupée par l'EI en territoire irakien avait été reprise, mettant ainsi fin à la guerre terrestre contre l'organisation terroriste. La victoire sur l’EI et la reconquête des zones occupées par l’organisation ont manifestement eu un impact positif et tangible sur les conditions de sécurité en Irak. Toutefois, les cellules de l’EI restent actives dans plusieurs provinces et les forces de sécurité irakiennes, les milices chiites et les peshmergas kurdes mènent toujours des opérations contre l’organisation. Cela se traduit par un niveau de violences, une échelle de la violence aveugle et un impact du conflit sur la population qui varient fortement d’une région à l’autre. Par ailleurs, dans le cadre du conflit avec le PKK, l’armée turque procède à des attaques aériennes et mène des opérations terrestres contre des cibles liées au PKK dans les zones frontalières du nord de l’Irak.
