Veiligheidssituatie in de Two Areas. Situatie in Khartoem van personen afkomstig uit de Two Areas

Français

Deze COI Focus beschrijft het conflict in de Two Areas in het zuiden van Soedan en analyseert de veiligheidssituatie in deze deelstaten in het licht van de ontwikkelingen sinds 2016. Daarnaast onderzoekt dit document de situatie in Khartoem van personen afkomstig uit de Two Areas, in het bijzonder (maar niet uitsluitend) leden van de etnische Nuba-gemeenschap. Het onderzoek werd afgesloten op 1 december 2018.

 

Veiligheidssituatie in de Two Areas

De zuidelijke deelstaten Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl, ook bekend als de Two Areas, herbergen een heterogene bevolking, zowel op etnisch als religieus vlak, met de Nuba in Zuid-Kordofan en de Ingessana in Blauwe Nijl als de voornaamste niet-Arabische inheemse gemeenschappen. Beide gebieden, die door het centrale Soedanese gezag op economisch, politiek en identitair vlak worden achtergesteld, vormen sinds 2011 het strijdtoneel van een gewapend conflict tussen enerzijds het Soedanese leger en regeringsgezinde milities, veelal van Arabische oorsprong, en anderzijds de SPLM/A-N die vooral steunt op inheemse gemeenschappen. Deze rebellengroep controleert in Zuid-Kordofan een uitgebreid gebied dat onder meer de Nuba Mountains omvat en in Blauwe Nijl een klein territorium in het zuiden. De Soedanese overheid controleert de belangrijkste steden.

Van 2012 tot 2016 voert het regeringsleger tijdens het droge seizoen grootschalige militaire offensieven uit, gecombineerd met luchtbombardementen die grote bevolkingsverplaatsingen veroorzaken, de lokale infrastructuur vernielen en honderden burgerslachtoffers maken. AI heeft het over mogelijke oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Verschillende bronnen beschuldigen het leger van een uitputtingsoorlog door landbouwgronden te treffen, de voedselvoorziening te ontregelen en burgers zo uit rebellengebied te verdrijven. Regering en rebellen raken het niet eens over de levering van humanitaire hulp in rebellengebied. Niettemin veranderen de frontlijnen sinds het begin van het conflict nauwelijks.

Na het regeringsoffensief van 2016, waarbij het Soedanese leger in grote mate steunt op milities zoals de RSF, berucht om hun aanvallen op de burgerbevolking, kondigen beide strijdende partijen een staakt-het-vuren af. Ondanks enkele korte confrontaties vinden er geen openlijke vijandigheden meer plaats. Het aantal doden, inclusief burgerdoden, daalt sterk in 2017 en 2018. Een leiderschapsconflict binnen de SPLM/A-N leidt in 2017 en 2018 wel tot dodelijke confrontaties tussen de rivaliserende vleugels van de beweging.

In september 2018 beschouwt NHRMO de systematische plundering door leger en milities van vee en land, waarbij ook burgers gedood worden, als de belangrijkste bedreiging van de burgerbevolking. Deze incidenten nemen in 2018 in hevigheid toe. Mensenrechtenorganisaties documenteren ernstige mensenrechtenschendingen gaande van willekeurige arrestaties tot foltering en seksueel geweld, hoewel er na 2016 ook minder dergelijke incidenten worden geregistreerd. Leden van de veiligheidsdiensten genieten straffeloosheid.

Verschillende bronnen stellen dat personen die geassocieerd worden met de SPLM/A-N, bijvoorbeeld omdat ze tot een bepaalde etnische gemeenschap horen, ernstig risico lopen in de Two Areas. Ook activisten, journalisten, studenten, demonstranten of andere personen die kritiek uiten op de overheid worden geviseerd door de veiligheidsdiensten, volgens Soedanese bronnen.

OCHA telt in december 2017, op basis van onvolledige gegevens, bijna 230.000 IDP’s in regeringsgebied in de Two Areas. Ook in rebellengebied leven honderdduizenden IDP’s.  Ze zijn bijzonder kwetsbaar voor voedseltekorten. Dankzij de opeenvolgende wapenbestanden daalt het aantal nieuwe ontheemden en keren vele IDP’s terug naar hun regio van herkomst om de velden te bewerken. Zuid-Soedan herbergt in juli 2018 zowat 276.000 Soedanese vluchtelingen. Conflicten met de lokale bevolking maakten de voorbije jaren in een aantal kampen tientallen doden.

Voedselschaarste en acute voedselonveiligheid zijn een weerkerende fenomenen in het rebellengebied in de Two Areas. Gezondheidszorg en onderwijs hebben er ernstig te lijden gehad onder het conflict en zijn voor velen ontoegankelijk. Meisjes en vrouwen zijn bijzonder kwetsbaar voor discriminatie en geweld.

 

Situatie in Khartoem van personen afkomstig uit de Two Areas

In Khartoem leven, naargelang de bron, enkele honderdduizenden tot enkele miljoenen IDP’s, meer dan de helft van de hoofdstedelijke bevolking. Een meerderheid zijn vrouwen, kinderen en ouderen en zijn afkomstig uit Zuid-Soedan, Darfoer en de Two Areas, waaronder een aanzienlijk aantal meestal arme Nuba. Deze IDP’s leven niet in officiële kampen, maar in arme perifere sloppenwijken, de ‘black belt’, met vaak nauwelijks infrastructuur voor watervoorziening, elektriciteit, gezondheidszorg of onderwijs. Verschillende bronnen wijzen op racisme tegen personen van Afrikaanse afkomst, gaande van discriminatie op de arbeidsmarkt, waar velen in de informele sector terechtkomen, bij de uitreiking van identiteitsdocumenten tot verbaal en fysiek geweld. Vrouwen die alcohol of thee op straat verkopen worden geviseerd door de ordediensten. Enkele bronnen halen enkele voorbeelden aan van extreem fysiek geweld, waaronder moord, op Nuba die in Khartoem leven.

Volgens een aantal bronnen, waaronder de Deense en Britse fact finding-missie, hebben personen uit de Two Areas in Khartoem toegang tot huisvesting en openbare diensten, is er geen systematische discriminatie maar hangt dit vooral van iemands financiële mogelijkheden af. Bij terugkeer naar Khartoem vanuit het buitenland zal een persoon afkomstig uit de Two Areas niet automatisch problemen ondervinden, maar is het eerder het politieke profiel dat mogelijks de interesse wekt. Andere bronnen benadrukken net de systematische discriminatie die personen uit de Two Areas naar de arme wijken drijft en menen dat dergelijke personen bij terugkeer naar Khartoem wel degelijk risico lopen. Enkele bronnen stellen ook dat personen die asiel hebben gevraagd in het buitenland bij terugkeer een verhoogd risico lopen. Amnesty International (AI) wijst de repatriëring naar Soedan van personen uit conflictgebieden af.

Terwijl een aantal bronnen stellen dat personen op basis van hun niet-Arabische etniciteit of christelijke religie, zoals Nuba, het grootste risico lopen op vervolging en discriminatie omwille van hun vermeende banden met rebellengroepen, stellen andere bronnen dat de levensomstandigheden in Khartoem afhangen van een combinatie van factoren zoals herkomst, economische status, politiek of religieus profiel. Een researcher van Landinfo stelt dat de NISS de gemeenschappen afkomstig uit de conflictgebieden met aandacht volgt. Vier categorieën van personen worden in het bijzonder gemonitord: leden van gewapende groepen, activisten, hoger opgeleide personen en recente inwijkelingen. Een onafhankelijk antropologische Soedan-onderzoeker wijst op de etnische, religieuze en economische bagage van inwijkelingen uit de Two Areas, die de levensomstandigheden in Khartoem bemoeilijken en deze personen kwetsbaar maken voor de overheid.

De Soedanese overheid beschouwt de Soedanese identiteit als Arabisch en islamitisch. De meeste christenen in Khartoem zijn afkomstig uit de Two Areas. Verschillende bronnen merken op dat religieuze, etnische en politieke profielen vaak verweven zijn. DFAT acht het onwaarschijnlijk dat christenen louter op basis van hun geloofsovertuiging problemen ondervinden, maar erkent wel de discriminatie vanwege de overheid en de maatschappij. USCIRF wijst op de uitzonderlijke discriminatie van religieuze minderheden waaronder christenen en niet-soennitische moslims. Mensenrechtenorganisaties melden de voorbije jaren de arrestatie van geestelijken, de vernieling door de overheid van kerken.

Alle geraadpleegde bronnen wijzen op het ernstige risico van vermeende banden, bijvoorbeeld familiebanden, met de SPLM/A-N. Mensenrechtenorganisaties onderstrepen ook het risico dat studenten en activisten afkomstig uit de Two Areas in Khartoem lopen.

Politique de traitement

La politique définie par le commissaire général se fonde sur une analyse approfondie d’informations récentes et détaillées sur la situation générale dans le pays. Ces informations ont été recueillies de manière professionnelle auprès de diverses sources objectives, dont le Bureau européen d’appui en matière d’asile, le Haut-Commissariat aux réfugiés des Nations unies, des organisations internationales de défense des droits de l’homme, des organisations non gouvernementales, ainsi que la littérature spécialisée et les médias. Pour définir sa politique, le commissaire général ne se fonde donc pas exclusivement sur les COI Focus publiés sur le site du CGRA, qui ne traitent que de certains aspects particuliers de la situation du pays. Le fait qu’un COI Focus date d’un certain temps déjà ne signifie donc pas que la politique menée par le commissaire général ne soit plus d’actualité.

Pour examiner une demande d’asile, le commissaire général tient non seulement compte de la situation objective dans le pays d’origine à la date de la décision mais également de la situation individuelle et des circonstances personnelles du demandeur. Chaque demande d’asile est examinée au cas par cas. Le demandeur d’asile doit montrer de manière suffisamment concrète qu’il éprouve une crainte fondée de persécution ou court un risque réel d’atteintes graves. Il ne peut donc se contenter de renvoyer à la situation générale dans son pays mais doit également présenter des faits concrets et crédibles le concernant personnellement.

Pour ce pays, il n’y a pas une note de politique de traitement disponible sur le site web.

Land: 
Soudan
Nouvelle adresse CGRA