De veiligheidssituatie op de bezette Westelijke Jordaanoever kenmerkt zich in de periode van januari 2025 tot mei 2026 door aanhoudend geweld op een grotere schaal dan in de periode voor de terreuraanval van 7 oktober 2023. Daarbij vielen militanten van Hamas en medestanders vanuit de Gazastrook militaire en burgerdoelwitten aan in Zuid-Israël en bestookten Israëlische steden met raketten. Het aantal dodelijke Palestijnse slachtoffers bij veiligheidsincidenten op de Westelijke Jordaanoever bedraagt in 2025 240, een aanzienlijke daling ten opzichte van 2024 wanneer het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) van de Verenigde Naties (VN) 498 dodelijke slachtoffers registreert. In de periode van 1 januari 2026 tot 18 mei 2026 rapporteert OCHA een verdere daling van het aantal dodelijke Palestijnse slachtoffers op de Westelijke Jordaanoever, namelijk 52 doden. Het aantal Israëlische slachtoffers op de Westelijke Jordaanoever daalt in 2025 tot 17 in vergelijking met 21 in 2024. In 2026 registreert OCHA vooralsnog geen Israëlische doden.
In de verslagperiode blijven de Israëlische veiligheidsdiensten de voornaamste actor van geweld op de Westelijke Jordaanoever. De frequente militaire operaties, search-and-arrest-veiligheidsoperaties en undercoveroperaties door de Israëlische veiligheidsdiensten veroorzaken er 264 van de 295 dodelijke slachtoffers aan Palestijnse kant. Begin 2025 tekent de grootschalige militaire operatie van de Israëlische veiligheidsdiensten in het noorden van de Westelijke Jordaanoever, genaamd Iron Wall, de veiligheidssituatie. Hierbij neemt het Israëlische leger de vluchtelingenkampen van Jenin en Tulkarem in en verdrijft er de bevolking. Bij deze militaire operatie vallen tientallen Palestijnse doden en arresteren de Israëlische veiligheidsdiensten honderden personen. Hierop volgend houdt het Israëlische leger de ingenomen posities aan, sloopt tal van gebouwen en infrastructuur in deze vluchtelingenkampen en verbiedt de terugkeer van meer dan 32.000 bewoners. Ook al voert de Israëlische luchtmacht na april 2025 geen luchtaanvallen meer uit op Palestijnse doelwitten in de Westelijke Jordaanoever, de militaire operaties blijven getypeerd door de inzet van zware oorlogswapens en offensieve tactieken. Het optreden van de Israëlische veiligheidsdiensten is ook verantwoordelijk voor nagenoeg 75 procent van de Palestijnse gewonden bij veiligheidsincidenten. De Palestijnse militante organisaties die zich de voorbije jaren hoofdzakelijk in het noorden van de Westelijke Jordaanoever manifesteerden, kenmerkten zich vooral door lokaal, grotendeels reactief optreden, onder meer in de vorm van vuurgevechten bij Israëlische invallen. Na Iron Wall vinden dergelijke militante acties minder vaak plaats.
Verschillende bronnen rapporteren in de verslagperiode een markante toename van door Israëlische kolonisten gepleegde geweldfeiten. Zo zijn Israëlische burgers/kolonisten in 2024 verantwoordelijk voor vijf dodelijke Palestijnse slachtoffers, loopt dit aantal in 2025 op tot negen en stijgt verder tot dertien in de eerste vijf maanden van 2026. Ook het aantal Palestijnse gewonden door kolonistengeweld, onder meer in de vorm van fysieke aanvallen, stijgt in deze periode manifest. Ook de belaging en de intimidatie van Palestijnse gemeenschappen door kolonisten houdt aan, onder meer door de vernielingen van olijfboomgaarden. In het bijzonder ten oosten van Ramallah, in de Jordaanvallei en in het heuvelgebied ten zuiden van Hebron veroorzaakt dit ontheemding.
De veiligheidsmaatregelen van het Israëlische leger belemmeren in grote mate de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking op de Westelijke Jordaanoever. Onder meer tijdens de gewapende conflicten met Iran drijft het Israëlische leger deze beperkingen van de bewegingsvrijheid op en bereikt het aantal controleposten en wegbokkades op de Westelijke Jordaanoever een recordhoogte. Deze maatregelen hebben een aanzienlijke economische en psychosociale impact. Ook de vernieling van gebouwen van Palestijnse eigenaars op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem vindt in de verslagperiode in toenemende mate plaats, met ontheemding tot gevolg.
Politique de traitement
La politique définie par le commissaire général se fonde sur une analyse approfondie d’informations récentes et détaillées sur la situation générale dans le pays. Ces informations ont été recueillies de manière professionnelle auprès de diverses sources objectives, dont l’Agence de l’Union européenne pour l’asile (AUEA), le Haut-Commissariat aux réfugiés des Nations unies (HCR), des organisations internationales de défense des droits de l’homme, des organisations non gouvernementales, ainsi que la littérature spécialisée et les médias. Pour définir sa politique, le commissaire général ne se fonde donc pas exclusivement sur les COI Focus publiés sur le site du CGRA, qui ne traitent que de certains aspects particuliers de la situation du pays. Le fait qu’un COI Focus date d’un certain temps déjà ne signifie donc pas que la politique menée par le commissaire général ne soit plus d’actualité.
Pour examiner une demande d’asile, le commissaire général tient non seulement compte de la situation objective dans le pays d’origine à la date de la décision mais également de la situation individuelle et des circonstances personnelles du demandeur. Chaque demande d’asile est examinée au cas par cas. Le demandeur d’asile doit montrer de manière suffisamment concrète qu’il éprouve une crainte fondée de persécution ou court un risque réel d’atteintes graves. Il ne peut donc se contenter de renvoyer à la situation générale dans son pays mais doit également présenter des faits concrets et crédibles le concernant personnellement.
Pour ce pays, il n’y a pas une note de politique de traitement disponible sur le site Internet du CGRA.
